Onderaannemer en exoneratiebeding

04-11-2019

Moet een onderaannemer een exoneratiebeding tegen zich laten gelden?

Ja”, was het antwoord van het Gerechtshof Den Haag in haar uitspraak van 23 juli 2019. Lees hieronder meer over deze uitspraak.

Casus

In 2015 startte het Rijksvastgoedbedrijf (hierna: “RVB”) een aanbestedingsprocedure op. In de aanbestedingsdocumentatie had het RVB zich het recht voorbehouden om de aanbestedingsprocedure tussentijds te mogen beëindigen zonder dat de inschrijvende partijen aanspraak konden maken op vergoeding van de gemaakte kosten. X schreef zich in voor de aanbesteding, waarbij partij X onderaannemer Y had ingeschakeld. Y had X geholpen bij de inschrijving voor de aanbestedingsprocedure en zodoende de nodige tijd (en dus kosten) geïnvesteerd. X kreeg van het RVB helaas te horen dat zij niet de winnende inschrijving had ingediend.

Op enig moment realiseerde het RVB zich dat er in de aanbestedingsprocedure fouten waren gemaakt, waarop het RVB de beslissing nam om de aanbestedingsprocedure in zijn geheel te beëindigen. Y stelde dat het RVB onrechtmatig had gehandeld jegens haar door deze tussentijdse beëindiging en vorderde schadevergoeding. Y had immers aanzienlijke kosten gemaakt in de voorbereiding van de inschrijving van X in de aanbestedingsprocedure. Het RVB verweerde zich tegen de claim van Y door de clausule in de aanbestedingsdocumentatie waarin stond dat bij tussentijdse beëindiging van de aanbestedingsprocedure geen aanspraak kon worden gemaakt op vergoeding van kosten.

De vraag die het Gerechtshof moest beantwoorden was of het RVB ook tegen Y een beroep op deze clausule kon doen. Y was immers niet de contractuele wederpartij van het RVB.

Oordeel Gerechtshof

Het Gerechtshof overwoog dat een contractspartij zich niet alleen de belangen van haar contractuele wederpartij moet aantrekken, maar ook de belangen van derden (lees: Y). Dit betekent dus dat het RVB bij haar handelen niet alleen naar de belangen van X, maar ook naar de belangen van Y had moeten kijken. Dat zou ertoe kunnen leiden dat het RVB onrechtmatig heeft gehandeld jegens Y door de aanbestedingsprocedure te beëindigen. Het antwoord op deze vraag laat het Gerechtshof echter in het midden om de volgende reden.

Het Gerechtshof komt namelijk tot het oordeel dat het RVB ook tegen Y een beroep kan doen op de clausule ter uitsluiting van kostenvergoeding. Dit ondanks dat Y niet de contractuele wederpartij van het RVB was. Deze conclusie lijkt voort te komen uit het hiervoor genoemde beginsel dat het RVB naast de belangen van haar contractspartij ook de belangen van derden in acht moet nemen. Dit beginsel kent dus een keerzijde, namelijk dat de derde ook contractsbepalingen tegen zich moet laten gelden ondanks dat zij geen partij was bij het contract. Daarnaast was voor het Gerechtshof van belang dat Y verondersteld werd bekend te zijn met de aanbestedingsdocumentatie (waaronder de clausule tot uitsluiting van kostenvergoeding) én het onwenselijk zou zijn wanneer Y als onderaannemer in een betere positie zou komen te verkeren dan X als inschrijver. Het Gerechtshof wijst de vordering van Y tot schadevergoeding af.

Belangrijk

Deze uitspraak van het Gerechtshof laat twee belangrijke dingen zien. Ten eerste dat een contractspartij in haar handelen niet alleen de belangen van haar contractuele wederpartij in acht moet nemen, maar ook moet letten op de belangen van derden. Ten tweede dat deze verderstrekkende ‘zorgplicht’ een keerzijde kent, namelijk dat de derde mogelijk ook contractsbepalingen (zoals exoneraties) tegen zich moet laten gelden ook al was hij geen partij bij de overeenkomst.

Britt Loeffen

« Terug
×