Rechtbank: afstraffing geklungel met etiketten bij DNA afname

28-02-2018

DNA-onderzoek

Als iemand wegens een misdrijf wordt veroordeeld zal hij of zij, in bijna alle gevallen, een oproep ontvangen van het Openbaar Ministerie om DNA af te staan. Dat gebeurt op grond van de wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Van het afgenomen celmateriaal (wangslijm) wordt een DNA-profiel gemaakt dat vervolgens wordt opgeslagen in een landelijke databank. Bij de opsporing van strafbare feiten wordt deze databank veelvuldig geraadpleegd om te zien of DNA-sporen kunnen worden gelinkt aan personen die eerder met justitie in aanraking zijn geweest. Op deze wijze zijn al veel daders van misdrijven opgespoord.

Bewijskracht

Het systeem is succesvol omdat een DNA-profiel zo goed als uniek is. Zo kun je in rapporten van het Nederlands forensisch instituut vaak lezen dat de kans dat aangetroffen DNA van een ander dan de verdachte is, kleiner geschat moet worden dan 1:1.000.000.000. Doordat veel misdrijven worden opgelost middels het vergelijken van DNA-profielen kun je wel stellen dat het DNA-bewijs inmiddels is verheven tot de Heilige Graal van het bewijsrecht in het strafproces.

Besluit DNA-onderzoeken in strafzaken

Dit systeem van het verwerken en opslaan van dataprofielen valt of staat natuurlijk bij een zorgvuldige procedure. De wijze waarop het DNA-onderzoek dient plaats te vinden, is geregeld in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Het besluit kent een aantal bepalingen over de wijze waarop het celmateriaal dient te worden afgenomen en over de waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en in beslag genomen celmateriaal. Deze bepalingen zouden moeten voorkomen dat er fouten worden gemaakt en sterker nog, deze bepalingen zouden er voor moeten zorgen dat verwisseling van DNA-profielen niet mogelijk is. Door menselijk falen is het systeem niet waterdicht, hetgeen blijkt uit de navolgende casus die heeft geleid tot de beschikking van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2018.

Verkeerd plakken van sticker

In dit geval heeft de man die DNA moest afstaan de tegenwoordigheid van geest gehad om van de procedure foto’s te maken. Thuisgekomen bleek op een van de foto’s dat de sticker die behoorde bij het buisje van het van hem afgenomen wangslijm was geplakt op een proces verbaal dat betrekking had op een andere persoon. Nadat hij dit had geconstateerd heeft hij dat onmiddellijk aan de politie medegedeeld. Vervolgens kreeg hij de mededeling dat de fout was hersteld doordat de sticker van het verkeerde formulier verwijderd was en op het juiste formulier zou zijn geplakt. Met andere woorden: het juiste DNA-materiaal was weer gevoegd bij de juiste persoon. Aldus de politie.

De gang van zaken op het politiebureau baart grote zorgen. Het gaat er niet zozeer om dat de fout is hersteld. De kernvraag is hoe dit überhaupt kon gebeuren. Wat deed het formulier van de ene persoon daar op het bureau van de verbalisant op het moment dat het wangslijm van de andere persoon wordt afgenomen? De gang van zaken op het politiebureau was in ieder geval voldoende reden om een bezwaarschrift tegen het verwerken van het DNA materiaal bij de rechtbank in te dienen.

Oordeel rechtbank

De raadkamer van de rechtbank Gelderland verklaart op 28 februari 2018 het bezwaarschrift gegrond en beveelt de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. In de beschikking schrijft de rechtbank:

Weliswaar blijkt uit het proces verbaal van politie dat de fout tijdig is herkend en zou zijn hersteld, maar dat laat naar het oordeel van de raadkamer onverlet dat de strak omschreven waarborgen niet zijn nageleefd. De kans dat het celmateriaal van veroordeelden onder een andere naam in de DNA-databank wordt opgenomen acht de raadkamer weliswaar uitermate klein, echter 100% garantie dat elke vergissing door het herstellen van de geconstateerde fout door de verbalisanten is uitgesloten, kan naar het oordeel van de raadkamer niet gegeven worden.”

Conclusie

Het afnemen, het behandelen en het registreren van afgenomen en inbeslaggenomen celmateriaal blijft mensenwerk. Dit betekent dat fouten op de loer liggen. De ‘onaantastbare’ status van het DNA bewijs zou wat dat betreft wat relativering kunnen gebruiken. Ook zal bij de berekening van de kans dat een bepaald DNA-profiel afkomstig is van een andere persoon dan de verdachte, een foutmarge moeten worden aangehouden voor het mogelijk menselijk falen bij de afname en verwerking van het DNA. Dat een dergelijk menselijk falen niet ondenkbeeldig is, wordt is in deze casus klip en klaar aangetoond.

Frank Janzing

« Terug
×