Een openbare laadvoorziening, vergunningplichtig?

13-08-2019

De toenemende elektrificatie van transport, brengt met zich dat in openbare ruimte voorzieningen worden geplaatst om de accu’s bij te laden. Mag dat zomaar? Welke regels gelden hiervoor?

Openbare voorzieningen

Laadvoorzieningen zijn er in alle soorten en maten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een oplaadpunt voor elektrische bussen en laadpalen voor elektrische auto’s in de openbare ruimte.

De laadvoorzieningen kunnen – mits deze niet een privé bezit / gebruik betreffen – worden aangemerkt als openbare voorzieningen vanwege het belang voor het openbaar nut. Tevens zijn het bouwwerken in de zin van artikel 2.1 lid 1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

Naast laadvoorzieningen kunnen bijvoorbeeld ook bouwwerken voor het regelen van verkeer, transformatiehuisjes, flitspalen, buspoortjes, straatmeubilair en telefooncellen worden aangemerkt als openbare voorzieningen.

Hoofdregel: vergunningplichtig, tenzij

De hoofdregel luidt dat een omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit “bouwen”. Dit volgt uit artikel 2.1 lid 1, onder a, van de Wabo. In beginsel is daarom een omgevingsvergunning vereist voor het bouwen van de laadvoorzieningen.

Vergunningvrij bouwen?

De regels voor vergunningvrij bouwen zijn (o.a.) opgenomen in artikel 2 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). Deze regeling houdt in dat als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, géén omgevingsvergunning nodig is voor het bouwen van een bouwwerk voor een openbare voorziening.

Deze cumulatieve voorwaarden zijn (onderdeel 18, van artikel 2, van bijlage II bij het Bor):

  1. Er sprake is van een bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
  2. Het bouwwerk is niet hoger dan 3 m.
  3. De oppervlakte van het bouwwerk bedraagt niet meer dan 15 m².

Status bestemmingsplanregels?

Bij het bouwen van een bouwwerk moet in beginsel voldaan worden aan de regels van het bestemmingsplan. Als een aanvrager een beroep kan doen op artikel 2, onderdeel 18, bijlage II Bor, dan is óók geen omgevingsvergunning nodig voor het afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Kortom, er kan zonder vergunning worden gebouwd.

Als het bouwwerk niet vergunningvrij is, keren we terug naar het uitgangspunt dat een omgevingsvergunning is vereist voor (1) het bouwen van het bouwwerk én (2) het afwijken van de regels van het bestemmingsplan.

Kruimelregeling

In een eerder blog heb ik uitgelegd dat het onder voorwaarden mogelijk is om met een kruimelvergunning af te wijken van de regels van het bestemmingsplan.

De kruimelregeling is opgenomen in artikel 4 van bijlage II bij het Bor en is inzetbaar in veel verschillende situaties.

Artikel 4 van bijlage II bij het Bor kent een limitatieve opsomming van de situaties waarvoor een kruimelvergunning kan worden verleend. Elke situatie kent haar eigen voorwaarden.

In sommige gevallen is het bijvoorbeeld mogelijk om (al dan niet achteraf) met de kruimelregeling een gebouw voor een openbare voorziening mogelijk te maken.

Onderdeel 2, van artikel 4, van bijlage II bij het Bor bevat de voorwaarden voor het verlenen van een kruimelvergunning voor het plaatsen van een gebouw voor een openbare voorziening die in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Het betreft de volgende cumulatieve voorwaarden:

  1. Er is sprake van een gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
  2. Het gebouw is niet hoger dan 5 m.
  3. Het gebouw heeft niet meer oppervlakte dan 50 m².

Let op, de kruimelvergunning ziet alleen op het handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan. De kruimelvergunning ontslaat een partij niet van de hoofdregel dat een omgevingsvergunning nodig kan zijn voor het bouwen van het gebouw.

Verzoek tot handhaving

In het geval een laadvoorziening zonder vergunning is geplaatst, terwijl daarvoor wel een vergunning nodig was, kan een verzoek om handhaving worden ingediend bij het gemeentebestuur.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken.

Dat kan tot de vreemde situatie leiden dat een gemeente die zelf (zonder vergunning) een laadvoorziening heeft geplaatst, ook bevoegd (en zelfs gehouden) is om handhavend op te treden tegen zichzelf. Ook het collegebestuur moet zich houden aan de wettelijke regels.

Beschikking vereist

Het gemeentebestuur mag een verzoek tot handhaving niet zomaar afwijzen. Een verzoek tot handhaving is op basis van artikel 1:3, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht een aanvraag waarop een beschikking moet worden genomen. Tegen de beschikking staat bezwaar- en beroep open.

Voorstelbaar is dat de gemeente met toepassing van artikel 2.12 lid 1, onder a, sub 3 Wabo alsnog vergunning verleent. Een dergelijke vergunning moet evenwel ruimtelijk goed onderbouwd zijn. De impact van de voorziening op de omgeving, speelt daarbij een wezenlijke rol. Een voorbeeld uit onze praktijk leert dat de laadvoorzieningen van grote omvang kunnen zijn en geplaatst recht voor een bedrijfspand, het aanzicht van én het uitzicht vanuit het bedrijfspand wezenlijk nadelig kunnen beïnvloeden.

Vragen over dit blog of dit onderwerp? Ik help u graag.

Celine Kohinor

« Terug
×