Een procedure om proceskansen te bepalen

12-10-2018

De titel van deze blog leidt tot een interessante gedachte: is het mogelijk om een procedure te starten om proceskansen te bepalen? Helaas, daar gaat het in de bedoelde procedure niet over. Wel over een andere frustratie bij procespartijen: een geschil met een andere partij, weten dat die andere partij beschikt over bepaalde bewijsmiddelen en dat je daar zelf niet over beschikt maar die bewijsmiddelen wel nodig hebt om je vordering te kunnen onderbouwen. Hoe los je dat op? Juist, door het starten van een procedure om proceskansen te bepalen. Een zogeheten artikel 843a-vordering.

Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

De term 843a-vordering komt van het wetsartikel waarin deze vordering staat. Deze vordering biedt een procespartij de mogelijkheid om kennis te nemen van bewijsmiddelen die haar wel bekend zijn, maar niet in haar bezit zijn. Er gelden drie strikte voorwaarden:

  • Het hebben van een rechtmatig belang;
  • Het moet gaan om bepaalde bescheiden;
  • Men moet partij zijn bij de rechtsbetrekking.

Ad 1: Rechtmatig belang

De partij die de 843a-vordering instelt, moet een rechtmatig belang hebben bij de vordering. Dat belang kan zijn gelegen in de voorbereiding van een procedure, maar ook in het bepalen van de proceskansen. De partij die inzage verlangt, moet in elk geval aannemelijk maken dat zij mogelijk een vordering heeft. De vordering an sich hoeft nog niet vast te staan. Zo bepaalde ook de rechtbank Limburg recent.

Die zaak ging over een werkgever die met een werknemer een vaststellingsovereenkomst had gesloten. Enkele maanden later vermoedde de werkgever dat de werknemer haar had misleid, waardoor de werknemer (aldus het vermoeden van de werkgever) een zeer hoge ontslagvergoeding had gekregen. Voordat de werkgever een procedure startte om de vaststellingsovereenkomst te vernietigen, wilde de werkgever middels een 843a-vordering inzage verkrijgen in bepaalde bescheiden om haar vermoeden te verifiëren. De werkgever maakte haar mogelijke vordering voldoende aannemelijk en de rechtbank achtte het rechtmatig belang aanwezig.

Ad 2: Bepaalde bescheiden

De partij die inzage verlangt, moet wel aangeven in welke stukken zij precies inzage verlangt. Dat kan een contract zijn, maar ook e-mailcorrespondentie, bankafschriften, een computeruitdraai, gegevens in de cloud, een film etc.

Daarbij moeten het gaan om voldoende bepaalde bescheiden. De bescheiden hoeven niet exact, in detail, te worden omschreven, maar het moet meer zijn dan “inzage in de volledige bedrijfsadministratie”. Voldoende bepaald is bijvoorbeeld “alle tussen partijen gewisselde correspondentie over een bepaald onderwerp” of “een specifiek procesdossier”. In de hiervoor genoemde procedure was de werkgever vrij specifiek en stond het ook niet ter discussie dat de bescheiden voldoende bepaald waren. De werkgever verzocht onder andere inzage in een arbeidsovereenkomst, specifieke loonstroken en een kopie van een vacature, alsmede de sollicitatiebrief/-mail en de daaropvolgende correspondentie tussen de werknemer en latere werkgever.

Dat het moet gaan om bepaalde bescheiden, betekent ook dat geen sprake mag zijn van een zogenoemde fishing expedition. Een partij mag niet zomaar gaan vissen op zoek naar informatie waaruit een eventuele vordering zou kunnen worden afgeleid. Er bestaat geen algemeen inzagerecht.

Ad 3: Partij bij een rechtsbetrekking

Tot slot moet de aanvrager partij zijn bij een rechtsbetrekking. Kort gezegd, er moet een zekere link bestaan tussen de aanvrager en de partij tegen wie de aanvrager vermoed een vordering te hebben. Die link kan zijn een overeenkomst, een schadeclaim of een andere verbintenis uit de wet.

Die link hoeft in beginsel niet te bestaan tussen de aanvrager en de houder van de bescheiden. Het is mogelijk om bescheiden bij een derde op te vragen. Voorbeeld: de werkgever in de hiervoor aangehaalde procedure heeft nu bij de werknemer stukken opgevraagd (de gangbare weg), maar het zou ook mogelijk zijn geweest om stukken op te vragen bij de nieuwe werkgever van die werknemer. Die nieuwe werkgever beschikte immers ook, grotendeels, over die bescheiden. Een ander voorbeeld is het opvragen van een onderhoudsrapport van een machine bij een leverancier, terwijl de voorgenomen procedure zal worden ingesteld tegen de gebruiker van de machine.

Verzet tegen afgifte

De partij die tot afgifte van bescheiden gehouden is, kan zich daartegen verzetten. Dat kan als niet aan de drie vereisten is voldaan, maar ook als daarvoor gewichtige redenen bestaan. Gewichtige redenen kunnen onder andere zijn dat het gaat om vertrouwelijke of medische gegevens. Er is niet snel sprake van gewichtige redenen. Dat gegevens privacygevoelig zijn of de concurrentiepositie aantasten, is vaak onvoldoende.

Andere redenen voor weigering zijn dat de stukken geen bewijs leveren voor de mogelijke vordering van de aanvrager of dat het bewijs ook via een andere weg, bijv. getuigenverhoor, kan worden verkregen. De rechter zal de reden voor de weigering moeten toetsen. In de aangehaalde zaak bij de rechtbank Limburg, oordeelde de rechter dat het verstrekken van de bescheiden juist de voorkeur geniet boven het horen van getuigen, dat tijdrovend en belastend is. Dit verweer houdt aldus niet snel stand.

Tot slot

Het bepalen van proceskansen blijft lastig, maar met een 843a-vordering heeft een partij (vaak de eiser) wel de mogelijkheid om het bewijs te vergaren dat zij nodig heeft om haar vordering een kans van slagen te geven. De vordering kan zowel tijdens een lopende procedure als in een separate procedure worden ingesteld, bijvoorbeeld voorafgaand aan een procedure om de proceskansen te kunnen inschatten.

In de aangehaalde kwestie bij de rechtbank Limburg werd de vordering van de werkgever toegewezen. De werknemer moet binnen vijf dagen de stukken afgeven. Ik ben benieuwd of de werkgever uiteindelijk, mede aan de hand van dat bewijs, de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen.

Linda Jacobs

« Terug
×