Intern salderen stikstofdepositie

26-01-2021

In een recente uitspraak heeft de bestuursrechter geoordeeld over intern salderen in het licht van de op 1 januari 2020 gewijzigde Wnb vergunningplicht. De rechter heeft vastgesteld dat projecten die met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leiden, niet langer vergunningplichtig zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Vaste jurisprudentie (Nbw)

Het was vaste jurisprudentie van de Afdeling dat een project dat met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leidde, gold als een project waarvan op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het significante gevolgen heeft. Uit die rechtspraak volgt ook dat een vergunning met intern salderen kon worden verleend op basis van een belangenafweging (artikel 19e van de Natuurbeschermingswet 1998). Een passende beoordeling was niet vereist.

Wnb, toepassing jurisprudentie?

De vraag was hoe de vergunningplicht vanaf 1 januari 2020 moet worden uitgelegd in relatie tot een project dat met intern salderen niet tot een toename van stikstofdepositie leidde ten opzichte van de referentiesituatie.

Oordeel bestuursrechter:

Bij de beoordeling van de stikstofdepositie dienen alle rechtstreekse gevolgen van het project, zowel de negatieve als de positieve betrokken te worden (intern salderen). Mitigerende maatregelen zijn hiervan uitgezonderd. Indien als onderdeel van het project wijzigingen worden aangebracht aan de bestaande (vergunde) activiteit, welke leidt tot afname van de stikstofdepositie, mag deze ingezet worden om de negatieve gevolgen (nieuwe stikstofdepositie) van andere onderdelen van het project te compenseren.

Conclusie

De wijziging of uitbreiding van een bestaande activiteit die ten opzichte van de referentiesituatie niet leidt tot een toename van stikstofdepositie is vanaf 1 januari 2020 niet vergunningplichtig. Intern salderen kan een de vergunningverlening voor een project versnellen, omdat dan de provincie dan geen rol meer speelt (alleen de gemeente als bevoegd gezag bij de verlening van een omgevingsvergunning).

Caren Schipperus

« Terug
×