‘slecht levensgedrag’ in strijd met de Dienstenrichtlijn

10-01-2020

De horeca is in Nederland met veel regels omgeven. Steeds vaker zien we dat burgemeesters harder willen optreden tegen horecazaken waar het (volgens de burgemeester) niet pluis is. Ook “slecht levensgedrag” van de exploitant kan reden zijn om een exploitatievergunning te weigeren dan wel in te trekken. Vaak doen burgemeesters dit op grond van bepalingen in de APV.

Casus

Zo ook de burgemeester van Amsterdam. Hier werd een exploitatievergunning ingetrokken en een lopende aanvraag voor verlenging van een exploitatievergunning afgewezen. De exploitant werd verweten dat hij van ‘slecht levensgedrag zou zijn’. Op basis van de APV kan de burgemeester een exploitatievergunning weigeren of intrekken indien de openbare orde en veiligheid rondom de horecazaak nadelig wordt beïnvloed, onder meer door het ‘levensgedrag van de exploitant of leidinggevende’. In de toelichting bij de APV staat dat hiervan onder meer sprake kan zijn indien de exploitant betrokken is bij harddrugs, heling of andere activiteiten in de inrichting die de openbare orde of de kwaliteit van woon- en leefklimaat in een buurt bedreigen.

In deze zaak werd de exploitant verweten dat hij de maximumsnelheid in de bebouwde kom heeft overschreden en verdachte is in een zaak met betrekking tot valsheid in geschrifte. Na deze laatste constatering zijn de alarmbellen bij de burgemeester afgegaan en is nader onderzoek naar de exploitant verricht. Hieruit bleek dat hij in 2009 is veroordeeld voor valsheid in geschrifte en gevaarlijk rijgedrag. In 2015 is hij veroordeeld voor rijden onder invloed.

Strijd met Dienstenrichtlijn?

De exploitant betoogt bij de rechtbank dat deze weigering en intrekking in strijd met de Dienstenrichtlijn zouden zijn. Deze richtlijn is in het leven geroepen om dienstverleners te beschermen. Het uitgangspunt van deze richtlijn is dat het uitoefenen van een zogenoemde dienstenactiviteit niet afhankelijk is van een vergunningplicht. Mocht er toch een vergunningsplicht zijn, dan moet dit stelsel voldoen aan bepaalde eisen.

Zo moet dit stelsel niet discriminatoir zijn, duidelijk en ondubbelzinnig zijn en vooraf bekendgemaakt zijn. De exploitant voert aan dat de APV niet aan deze eisen voldoet. Immers, het staat niet vast wat precies onder ‘slecht levensgedrag’ moet worden verstaan. De toelichting op de APV geeft wel enige aanknopingspunten, maar blijkbaar kunnen er ook andere gedragingen worden meegewogen in de beoordeling. Overtredingen van de maximumsnelheid zijn andere gedragingen dan het in de APV genoemde voorbeeld van betrokkenheid bij harddrugs.

De voorzieningenrechter gaat mee in het betoog van de exploitant. De APV (en de toelichting daarop) is in strijd met de Dienstenrichtlijn. Het was voor de exploitant op voorhand onvoldoende duidelijk en voorzienbaar was dat zijn veroordelingen in het verleden hem in het kader van zijn exploitatievergunning konden worden tegengeworpen. Volgens de voorzieningenrechter had de exploitant op basis van de tekst in de APV niet kunnen weten dat roekeloos rijgedrag ook zou worden meegenomen in de beoordeling.

‘Slecht levensgedrag’ altijd in strijd?

Overigens geeft de voorzieningenrechter wel aan dat het begrip ‘slecht levensgedrag’ in een APV niet altijd in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Indien het vooraf voldoende duidelijk is welke gedragingen tot ‘slecht levensgedrag’ kunnen leiden, dan kan deze norm gewoon worden gebruikt.

Conclusie

Krijgt u te maken met de constatering dat u als exploitant van slecht levensgedrag zou zijn, dan is het zinvol om eens dieper in de regelgeving te duiken. Mogelijk is deze constatering in strijd met de Dienstenrichtlijn. Mocht dat zo zijn, dan kan het besluit van de burgemeester ook onderuit gaan!

Robin Link

« Terug
×