Ondanks verjaring, verplichting tot schadevergoeding

09-10-2019

Degene die schade heeft geleden als gevolg van een strafbaar feit kan de schade op de dader verhalen door in de strafzaak een vordering in te dienen. De benadeelde partij voegt zich daarmee in het strafproces. De strafrechter zal de vordering op basis van het civiele recht beoordelen en daarover een uitspraak doen. Als er schadevergoeding wordt toegewezen dan wordt in de regel ook een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Deze maatregel houdt in dat de Staat (CJIB) voor de incasso van de vordering zorgdraagt en dat bij niet betaling vervangende hechtenis kan worden opgelegd. Het ondergaan van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting overigens niet op. Is de vordering zodanig ingewikkeld dat de behandeling ervan een te grote belasting voor het strafproces vormt, dan zal de strafrechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en hem verwijzen naar de civiele rechter.

Verjaring

Omdat het civiele recht van toepassing is gelden ook de verjaringsregels zoals die in het Burgerlijk Wetboek zijn opgenomen. Sinds 1 april 2013 zijn die regels, voor wat betreft schade veroorzaakt door strafbare feiten, aangescherpt. Anders dan voorheen wordt de verjaring sindsdien gekoppeld aan de verjaringsregels van het strafrecht (art. 3:310 lid 4 BW). Tezelfdertijd werden de verjaringsregels van het recht op strafvervolging aangepast. Ernstige delicten zoals moord, opzettelijke brandstichting en verkrachting, delicten waar een strafbedreiging van twaalf jaar gevangenisstraf of meer op staan, verjaren niet meer. Minder zware misdrijven, waar een lagere strafbedreiging op staat, verjaren sedert 2013 na twaalf, respectievelijk zes jaren.

Is er te lang gewacht met het indienen van een vordering tot schadevergoeding dan kan door de schadeveroorzaker met succes een beroep op verjaring worden gedaan en staat de benadeelde partij met lege handen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in 2018 in een opmerkelijke strafzaak hier, op een wat ongebruikelijke wijze, een stokje voor gestoken.

Casus

In deze zaak werd een gebedsgenezer veroordeeld wegens – kortgezegd –  het meerdere malen verkrachten van twee vrouwen. Die verkrachtingen vonden plaats in 1992, in de periode waarin de verjaringsregels nog niet waren verscherpt. De slachtoffers hadden beide een vordering tot schadevergoeding ingediend. Het gerechtshof stelde vast dat de vorderingen inmiddels waren verjaard, maar kwam met de volgende overweging:

“Het hof acht van belang dat de door de slachtoffers geleden schade door verdachte wordt vergoed. Doordat de vorderingen van de benadeelde partijen verjaard zijn, en ook oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet mogelijk is gelet op de pleegdatum van de feiten, ziet het hof geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met als bijzondere voorwaarde dat verdachte de geleden schade aan beide slachtoffers dient te vergoeden.”

Het hof veroordeelde de gebedsgenezer tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren waarvan een jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bij de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf werd de bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde de slachtoffers een bedrag van € 4.980,= en € 6.095,= moest betalen. Zou de veroordeelde in gebreke blijven om aan deze verplichting te voldoen, dan zou het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kunnen eisen. Anders dan bij de schadevergoedingsmaatregel is de veroordeelde in dit geval door het ondergaan van de vervangende hechtenis van zijn betalingsverplichting verlost.

Oordeel Hoge Raad

Door de veroordeelde werd tegen de uitspraak van het Gerechtshof cassatie ingesteld, onder andere wegens het feit dat de schadevergoeding ondanks de verjaring was toegewezen.

Onder verwijzing naar een eerder arrest van dit jaar waarin de Hoge Raad al had overwogen dat de strafrechter grote vrijheid toekomt aan het toekennen van een schadevergoeding (bijvoorbeeld zelfs als er door het slachtoffer helemaal geen vordering is ingesteld) en tevens al had geoordeeld dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel niet afhankelijk is gesteld van de opeisbaarheid van de vordering, oordeelde de Hoge Raad op 1 oktober jl. dat het opleggen van een verplichting tot schadevergoeding in de vorm van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, evenmin afhankelijk is gesteld van de opeisbaarheid van die vordering. Het oordeel van het Gerechtshof werd door de Hoge Raad dan ook in stand gelaten.

Conclusie en aandachtspunten

De positie van het slachtoffer in het strafproces, waar het gaat om vergoeding van schade, wordt met deze jurisprudentie sterk verbeterd. Zeker ten opzichte van de positie van een eiser in een civiele procedure. Het is voor een slachtoffer, nog meer dan het al was, veel aantrekkelijker om ervoor te kiezen om de vordering aanhangig te maken in de strafzaak en niet te kiezen voor een civiele procedure.

Een tweede aandachtspunt geldt de civiele praktijk. Als er sprake is van een vordering uit onrechtmatige daad controleer dan of die onrechtmatige daad niet tevens een strafbaar feit oplevert. Dat is al snel, zeker op het terrein van het economische ordenings- en milieurecht. Neem bijvoorbeeld de schade als gevolg van een ernstig arbeidsongeval. In dat geval is er vaak tevens sprake van overtreding van de strafbepaling van art. 32 van de Arbeidsomstandighedenwet. Overtreding van deze bepaling levert een misdrijf op waaraan een verjaringstermijn van twaalf jaren is verbonden. Mocht de gebruikelijke civiele verjaringstermijn van vijf jaren inmiddels zijn verstreken dan kan wellicht met een beroep op art 3:310 lid 4 BW alsnog een vordering tot schadevergoeding worden ingesteld.

Frank Janzing

« Terug
×