Contactgegevens
Telefoon: +31 88 4104411
E-mail: info@alexadvocaten.nl
Adres: Spoorstraat 43, 6602 AW Wijchen

Home » Spuitzoneringen Bernheze: de processtrategie maakt het verschil

Spuitzoneringen Bernheze: de processtrategie maakt het verschil

In deze blog bespreek ik twee uitspraken van de Afdeling over spuitzonering. De eerste uitspraak Woonwijk De Bunders – Heesch ziet op een spuit(vrije)zone die op een agrarisch perceel is gelegd ten behoeve van een woningbouwproject daarnaast.[1]

De tweede uitspraak Bedrijfswoning – Heeswijk-Dinther gaat over de verkleining van een spuit(vrije)zone naar 25 meter op basis van een locatiespecifiek onderzoek, ten behoeve van een bedrijfswoning.[2]

Beide locaties zijn gelegen in de gemeente Bernheze. En juist dat maakt deze uitspraken prikkelend voor de praktijk. Ik bespreek in het navolgende eerst de twee uitspraken en wat mij daarin opvalt. Daarna belicht ik de processtrategie in de twee zaken. Ik sluit af met nog twee observaties voor de praktijk én een tip voor de gemeente Bernheze.

Spuitzone 50 meter op agrarisch perceel te Heesch

In de uitspraak Heesch gaat het om een besluit (vaststelling TAM-omgevingsplan) van 31 oktober 2024 van de gemeenteraad van Bernheze. Het plan ziet op 325 woningen en concentreert zich in de uitspraak op de spuitzone van 50 meter die op de naastgelegen agrarische percelen is gelegd.[3] Uit de plankaart blijkt dat het gaat om een nieuw woongebied op voormalige agrarische grond. In de (aanzienlijke) spuitzone mogen in het geheel geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden.[4],[5] Zonder deze spuitzone was woningbouw ter plaatse voor circa de helft van het plan niet mogelijk geweest. De boer, die naar eigen zeggen mais en gras teelde op zijn perceel, stelde beroep in tegen dit plan.

Afwegingen gemeenteraad

In het kader van de belangenafweging heeft de gemeenteraad het volgende afgewogen:

  • Vanwege de bescherming van de gezondheid van toekomstige bewoners is een spuitzone nodig;
  • Een kleinere zone door middel van driftwerende voorzieningen biedt geen beschermingsgarantie;
  • Driftwerende voorzieningen zijn stedenbouwkundig en landschappelijk onwenselijk;
  • Bij een spuitzone binnen het woongebied zouden veel minder woningen gebouwd kunnen worden;
  • Een spuitzone is geen onaanvaardbare beperking omdat het perceel voor akkerbouw gebruikt wordt en niet voor spuitintensieve teelten zoals boom- of sierteelt.[6]

Dat de belangenafweging in het voordeel van de woningbouw uitvalt, kan de Afdeling volgen. De Afdeling vindt de beperking van het gebruik aan de zijde van de boer aanvaardbaar.

Spuitzone van 25 meter tot agrarisch perceel te Heeswijk-Dinther

In de uitspraak Heeswijk-Dinther gaat het om een besluit (Wabo-omgevingsvergunning) van 14 maart 2024 van het college van Bernheze. Het besluit ziet op de vergunning voor een bedrijfswoning op 25 meter afstand van een agrarisch perceel waar gespoten mag worden. Eerst naar aanleiding van een incidenteel hoger beroep bij de Afdeling legt de vergunninghoudster een locatiespecifiek onderzoek over (bureau Landas).[7] Uit dit onderzoek blijkt dat gekeken is naar de representatieve bedrijfsvoering in het licht van de maximale planologische mogelijkheden.

Uit de uitspraak:

Voor de representatieve bedrijfsvoering is gekeken naar de diverse soorten teelt in de omgeving en hoe vaak deze voorkomen. De hoogste spuitbelasting waarmee bezien vanuit de representatieve bedrijfsvoering rekening moet worden gehouden is gemiddeld (tabel spuitbelasting uit hoofdstuk 2.2.van het onderzoek). De teelsoorten in de omgeving die een lage tot gemiddelde spuitbelasting kennen betreffen 86% van de omliggende gronden. Teeltsoorten met een hoge spuitbelasting vinden slechts plaats op 5% van de omliggende gronden.

Alhoewel volgens het onderzoek een afschermende haag niet nodig is, is daar wel aandacht aan besteed. De Afdeling overweegt:

Deze wintergroene haag biedt vervolgens voldoende afscherming wanneer, al ligt dat niet in de lijn der verwachting, toch in de omgeving met een teeltsoort met een hoge spuitbelasting wordt gewerkt (bijvoorbeeld fruitteelt).

De Afdeling vindt in dit geval een afstand van 25 meter voldoende gemotiveerd.[8]

Vaste rechtspraak – toetsingskader

In de zaak Heesch kiest de gemeenteraad van Bernheze zelf voor 50 meter. Dat is de afstand die volgens vaste rechtspraak “in het algemeen niet onredelijk” is. De boer moet aantonen dat die keuze onrechtmatig is. Hij treft een toets die door de beleidsruimte van de raad terughoudend is. De raad hoeft de 50 meter niet met locatiespecifiek onderzoek te onderbouwen. Hij moet alleen laten zien dat hij de belangen heeft gewogen. Dat heeft hij gedaan: alternatieven verkend, driftreducerende maatregelen overwogen, de woningbehoefte zwaarder laten wegen. Gemeenten die standaard kiezen voor een zone van 50 meter om daarmee ieder risico uit te sluiten, passen de vuistregel van de Afdeling correct toe.

In de zaak Heeswijk-Dinther is de situatie omgekeerd. Het college van Bernheze wijkt af van de 50 meter, ten gunste van de gevoelige functie. Dan geldt de motiveringseis uit vaste rechtspraak: een kortere afstand kan alleen met een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Die bewijslast ligt bij het bestuursorgaan en de initiatiefnemer, en de vergunninghoudster heeft er (laat) aan voldaan. De Afdeling laat het aan de gemeente om een afweging te maken in concrete situaties. De vuistregel van 50 meter is dus geen “gebod”.

Opvallende punten

De gewassen.

In Heesch is volgens de raad de beperking aanvaardbaar omdat de boer gras en mais teelt, dus niet spuitintensief. Datzelfde argument, een lage tot gemiddelde spuitbelasting bij een representatieve bedrijfsvoering, is in Heeswijk-Dinther juist de dragende reden om de zone te halveren. Het resultaat is ironisch. De boer in Heesch met de minst spuitintensieve teelt krijgt de volle 50 meter op zijn grond. De boer in Heeswijk-Dinther, die naar eigen zeggen zelfs suikerbieten en consumptieaardappelen teelde (waar tegen phytophthora vaak wordt gespoten), moet een bedrijfswoning op “slechts” 25 meter accepteren.

De haag.

De raad vindt in Heesch dat landschappelijke driftreducerende maatregelen zoals een struweelhaag “geen garantie” bieden en stedenbouwkundig niet wenselijk zijn. Het college stelde in Heeswijk-Dinther in de vergunning juist voorschriften over driftreductie. De Afdeling overweegt daar dat een wintergroene haag “voldoende afscherming” biedt, zelfs bij teelten met een hoge spuitbelasting.

Die laatste overweging vind ik dun. Het rapport zegt zelf dat de haag niet nodig is en geeft hem alleen als suggestie. Waarom hij dan wel voldoende is, wordt niet onderbouwd. Juist het punt van de optische dichtheid blijft onbeantwoord.

De representatieve bedrijfsvoering.

In Heeswijk-Dinther wordt wel stilgestaan bij de maximale planologische mogelijkheden, maar kijkt het onderzoek vervolgens naar de representatieve bedrijfsvoering op basis van de teelten in de omgeving. De Afdeling vindt dat het onderzoek voldoende ingaat op de planologische mogelijkheden en accepteert de representatieve invulling. Het verschil tussen de representatieve invulling en de feitelijke teelt zoals gesteld door de appellant ziet de Afdeling als “een enkel verschil”. Dat lijkt mij niet zonder meer een juiste conclusie. Het is niet helemaal duidelijk hoe de Afdeling de gebiedsgerichte benadering afzet tegen het locatiespecifieke gebruik van het naastgelegen perceel.

De processtrategie

Met name de zaak Heesch roept bij mij vragen op over de processtrategie. In deze is het begrijpelijk dat in de belangenafweging (waar moet de spuitzone landen) de raad ervoor kiest om deze op de grond van de boer te leggen, maar wat opvalt is dat de boer kennelijk geen argumenten heeft aangevoerd om meer werk te maken van de representatieve bedrijfsvoering op het perceel.

Uit de informatie op site Boer&Bunder[9] volgt dat de percelen waarop de spuitzone is gevestigd, voor wisselende teelten gebruikt werden, waaronder voor aardappelen, mais, bieten en tarwe. De boer heeft, zo lijkt het hier, geen beroepsgronden aangedragen die zien op de maximale planologische invulling van het perceel en de gevolgen die de spuitzone heeft voor de bedrijfsvoering.

In het TAM-omgevingsplan lees ik geen overgangsrechtelijke bepaling. Ook in het omgevingsplan Bernheze ben ik zo’n bepaling niet tegengekomen. Als er inderdaad niet in overgangsrecht (voor het gebruik) is voorzien, dan geldt deze beperking per datum inwerkingtreding van het plan. Ook hier had de boer een beroepsgrond over kunnen formuleren.

De raad heeft in Hees “verkend” of de afstand kleiner kon, maar geen diepgaand locatiespecifiek onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om een kleinere spuitzone op te nemen. De boer heeft een dergelijk onderzoek zelf niet aangeleverd, maar daar vermoedelijk ook niet om gevraagd. Gezien de uitkomsten in de zaak Heeswijk-Dinther had de spuitzone waarschijnlijk ook 25 meter kunnen zijn.

Gezien het toetsingskader is het dus belangrijk om – zo vroeg mogelijk in de procedure – te bepalen welke argumenten en onderzoeken je aandraagt om een standpunt te onderbouwen. De Afdeling beoordeelt alleen wat is aangedragen en gaat niet zelfstandig met een bredere blik uitzoomen.

In mijn optiek had de boer in de zaak Heesch de strategie kunnen om als meest verstrekkend standpunt in te nemen dat de spuitzone niet op zijn grond zou moeten liggen. Dat standpunt had hij moeten onderbouwen door uit te werken en toe te lichten hoe hij met de maximale planologische mogelijkheden nu en in de toekomst om wil gaan. Stel dat hij zou hebben geanticipeerd op de belangenafweging in zijn nadeel, dus met een spuitzone op zijn perceel, dan had hij kunnen aansturen op – of dat zelf kunnen aanleveren – een locatiespecifiek onderzoek waarin een kleinere spuitzone wordt bepleit (zoals dat van Landas).

In de zaak Heeswijk-Dinther blijkt dat je tot ver in de procedure nog met onderzoeken kunt aankomen om de motivering van besluiten nader te onderbouwen. Het is zaak daar alert op te zijn en lopende procedures te scannen op gronden die betrekking hebben op een spuitzone en eventuele oplossingen daarvoor.

Slotopmerkingen

Belangenafweging ten gunste van woningbouw

Het belang van de uitspraak Heesch is dat de Afdeling nu voor de derde keer een spuitzone op agrarische grond ten faveure van aanzienlijke woningbouwprojecten[10] getoetst en in stand gelaten heeft. De vraag is wel in hoeverre het grondgebruik van de boer een rol speelt. In dit geval bestond het grondgebruik uit gras en mais (veevoer) en heeft de raad dit expliciet in haar afweging opgenomen. De vraag is of het anders zou uitpakken bij boom- of fruitteelt bijvoorbeeld.[11]

Motivatie kleinere spuitzone

De rapportage van Landas ziet op een locatiespecifiek onderzoek waarin niet gekeken wordt naar de maximale planologische mogelijkheden, maar naar de representatieve bedrijfsvoering. Dat is gedaan op basis van informatie over het gangbare gebruik (de overwegend voorkomende teeltvormen) in een bepaald landbouwkundig gebruikt gebied, waarna gekeken is naar de spuitbelasting die dat met zich brengt. Mijns inziens is dit een realistische benadering en helpt dit gemeenteraden en colleges die een ruimtelijk besluit moeten nemen over de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.[12] Het gaat er daarbij om – vanuit de bescherming van de publieke gezondheid – een redelijk evenwicht te bepalen tussen functies die naast elkaar bestaan en de zo nodig in acht te nemen afstand daartussen. Dat is geen exacte wetenschap, maar een afweging.

Andere voorbeelden van locatiespecifieke onderzoeken die ook tot een afwijking van de vuistregel van 50-meter hebben geleid zijn de uitspraak inzake de 30 prikkelarme wooneenheden in de gemeente Tilburg (10 meter) en de uitspraak inzake de huisvesting voor arbeidsmigranten in de gemeente Kampen (10 meter, kokosmatten e.d.).[13] Waarmee ik wil zeggen dat een gedegen onderzoek naar de representatieve invulling van de planologische mogelijkheden, inclusief/met inbegrip van feitelijk omstandigheden zoals afscherming, een must is om spuitzones van minder dan 50 meter deugdelijk te motiveren.

Consistent beleid

Aan de gemeente Bernheze zou ik willen meegeven: voer een consistent spuitzonebeleid. De acceptatie van de rapportage van Landas in de zaak Heeswijk-Dinther zou daarvoor het uitgangspunt kunnen zijn. De vraag is wat dit alsnog zou kunnen betekenen voor de boer in Heesch.

Caren Schipperus


[1] ECLI:NL:RVS:2026:5905

[2] ECLI:NL:RVS:2026:6094 Uitspraak 202407880/1/R2 | Raad van State

[3] Ook wel eens ‘uitwendige’ spuitzone genoemd.

[4] Dit is al twee keer eerder door de Afdeling geaccepteerd in situaties waar sprake was van (slechts) hobbymatig gebruik van de agrarische percelen. Zie daarvoor de blog die ik over deze twee kwesties (Veere en De Wolden) heb geschreven.

[5] Ik ga in deze blog voorbij aan de definitiekwestie over “gewasbeschermingsmiddelen” die ook nog speelt in de uitspraak.

[6] Dit argument van de raad begrijp ik niet goed. Hierin lijkt besloten te liggen dat de raad heeft gedacht: er wordt toch al niet veel gespoten, dus het geeft niet als je het helemaal niet meer mag. Dat is op zichzelf geen logische redenering. Door de spuitzone op te nemen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor alle planologisch toegestane agrarische exploitatiemogelijkheden uitgesloten.

[7] Het ontbreken van zo’n onderzoek leidde in de procedure bij de rechtbank tot een vernietiging waarna er een nieuw besluit kwam. Het incidenteel hoger beroep was gegrond, maar bleef – door de reparatie in hoger beroep – zonder gevolgen.

[8] Terzijde: het rapport is door de vergunninghouder in beroep ingebracht. Uit de uitspraak blijkt niet of het college van Bernheze een nader besluit heeft genomen om dit rapport aan de motivatie van het vergunningsbesluit toe te voegen. 

[9] https://boerenbunder.nl/report/51.73044,5.50282 beperkte informatie toegankelijk zonder abonnement, de auteur heeft een abonnement op deze informatiebron. Deze website bevat informatie over geregistreerd gebruik, niet over planologische mogelijkheden.

[10] Heesch: 325 woningen, Veere: circa 100 woningen, de Wolden: maximaal 11 woningen.

[11] Voor de nadeelcompensatie maakt dit in elk geval een wezenlijk verschil, gezien dat deze teeltvormen een hogere opbrengstwaarde (in geld) hebben, dan gras en maisteelt.

[12] Heeswijk-Dinther viel nog onder de Wabo, met het afwegingskader “goede ruimtelijke ordening” en “goed woon- en leefklimaat”.

[13] Zie daarvoor deze blog: https://www.alexadvocaten.nl/spuitzones-een-rondje-langs-de-rechtspraak/

Contact opnemen

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Naam
We reageren zo spoedig mogelijk, tijdens kantooruren.