Toets aan m.e.r.-drempel bij zandwinning

11-07-2018

Geëxpireerde ontgrondingsvergunning

Voor de zandwinning van Kremer Zand & Grind in Sellingerbeetse, waar onder andere uniek filterzand voor de drinkwaterzuivering in Nederland wordt gewonnen, was in 2006 een ontgrondingsvergunning verleend die op 13 september 2016 zou expireren. Alhoewel de verlenging ervan in de vergunning was voorzien en ook tijdig (2014) was aangevraagd, besloten GS van Groningen pas formeel op 20 september 2016 over de verlenging. Dit was een week te laat en de Afdeling was onverbiddelijk. Te laat is te laat.

Nieuwe aanvraag

Voor de op dat moment niet langer vergunde, maar wel feitelijk bestaande zandwinning, werd een nieuwe ontgrondingsvergunning aangevraagd die tevens een kleine uitbreiding omvatte. De ontgrondingsvergunningprocedure liep parallel aan een omgevingsvergunning (revisievergunning milieu) en een bestemmingsplanprocedure voor het uitbreidingsdeel van de zandwinning.

Toets aan Besluit m.e.r.

Als gevolg van de vernietigde ontgrondingsvergunning kwam de vraag op hoe met de toets aan de drempel van Categorie C 16.1 van het Besluit m.e.r. moest worden omgegaan (kort gezegd: bij < 25 ha volstaat een m.e.r.-beoordelingsbesluit, bij > 25 ha moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen).

Van de totale oppervlakte waarop de ontgrondingsvergunning betrekking op had, was > 25 ha onder de geëxpireerde ontgrondingsvergunning reeds getransformeerd van land naar water, zodat daar alleen sprake was van een verdere verdieping en afwerking. Een gedeelte < 25 ha was nog (voormalig) agrarische landbouwgrond, daar was de ontgronding nog niet aangevangen.

Standpunt belanghebbenden

Belanghebbenden stelden dat voor de toets aan de m.e.r.-drempel op grond van de uitspraak van 28 juni 2017 gekeken moest worden naar het gehele gebied waar de zandwinning betrekking op heeft (het totale oppervlak dat in de vergunningaanvraag is betrokken).

Dagbouwmijn

Categorie 16.1 heeft betrekking op de winning van oppervlaktestoffen uit de landbodem en heeft een Europeesrechtelijke herkomst. De Afdeling oordeelde op 20 juni 2017 dat of het begrip ‘dagbouwmijn’ uit de m.e.r.-richtlijn correct is omgezet in het Besluit m.e.r. waar het mede omvat ‘de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem’. Onder ‘dagbouw’ kan volgens de Afdeling niet het winnen van oppervlaktedelfstoffen onder de wateroppervlakte worden verstaan.

Zandwinplas niet meetellen

In de Nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit m.e.r. staat dat oppervlaktedelfstoffenwinning uit de landbodem valt onder de richtlijnterm ‘dagbouwmijn’ en dat met landbodem wordt gedoeld op ‘gronden die bij gewoon zomerpeil droog zijn’. Omdat de zandwinplas voor zover deze al was gevormd, niet droog valt, hoefde de oppervlakte van de zandwinplas (ook al was daar nog steeds sprake van een actieve zandwinning) niet te worden meegerekend bij het bepalen van de oppervlakte voor de toets aan het Besluit m.e.r., met als resultaat dat het niet noodzakelijk was om een m.e.r. te maken.

Twee andere aandachtspunten

Gebrek passeren

Het m.e.r.-beoordelingsbesluit was hier niet voorafgaand aan het aanvragen van de ontgrondingsvergunning genomen, maar op dezelfde dag als het besluit tot verlening van de ontgrondingsvergunning vastgesteld. Dit was het gevolg van het tijdsverloop in de vergunningprocedure en de eerder gemelde expiratie van de voorgaande vergunning. Dit gebrek is, volgens bestendige jurisprudentie, met een beroep op artikel 6:22 Awb geheeld, omdat er geen belanghebbenden zijn benadeeld. Dit was een redelijke uitkomst, alhoewel het gegeven dat GS hierop reeds in de besluitvormingsfase hadden geanticipeerd, de vertegenwoordiger van GS wel op een reprimande kwam te staan.

Belanghebbenden

De belanghebbenden in casu (een camping op circa 550 meter van de uiterste punt van de zandwinning en het woonhuis van de eigenaar op ruim 1 kilometer) werden ontvankelijk geacht, reeds op basis van de aanname van de Afdeling dat ‘het niet uitgesloten is dat deze gevolgen van enige betekenis van de zandwinning ervaren’. Deze aanname berustte enkel op de (onbewezen) stelling van belanghebbenden dat zij die gevolgen ervaren en dus, ‘per saldo’ op de ‘gut-feeling’ van de Staatsraad Michiels die dat oordeel in mei 2017 velde. Deze uitkomst komt niet redelijk voor, omdat het enkele ‘stellen’ van hinder al voldoende is, enige vorm van bewijslevering is niet overgelegd, noch gevraagd.

Tot slot

Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden bij uitspraak van dezelfde datum. Het beroep tegen de omgevingsvergunning is ingetrokken. De zandwinning van Kremer Zand & Grind kan weer 16 jaar vooruit.

Caren Schipperus

Naschrift: deze uitspraak is van een annotatie voorzien door Mr. Soppe en Mr. Witbreuk. Mr. Witbreuk heeft in deze zaak collegiale ondersteuning verleend.

« Terug
×